Suikerziekte
Insuline is een hormoon dat ervoor zorgt dat suiker
(glucose)uit het bloed naar de weefsels
wordt getransporteerd. Suikerziekte, ook wel diabetes mellitus, is een
aandoening waarbij er een (relatief) tekort is aan het hormoon insuline, waardoor
er teveel glucose in het bloed aanwezig blijft. Er komen bij de hond 3 typen diabetes mellitus (DM) voor.
Type 1: De insulineproducerende cellen van de
alvleesklier worden door het eigen lichaam afgebroken en kunnen dus niet genoeg
insuline meer produceren. Dit type DM zien we bij honden van middelbare
leeftijd en ouder.
Type 3: Sommige hormonen kunnen ervoor zorgen
dat de lichaamscellen ongevoeliger worden voor insuline waardoor er meer
insuline nodig is om deze cellen suiker te laten opnemen. De alvleesklier moet
dan steeds harder werken en kan uitgeput raken. Hormonen die deze uitputting
kunnen veroorzaken zijn cortisol (ziekte van Cushing) en corticosteroiden
(worden vaak als ontstekingsremmend medicijn gebruikt).
Type 4: Het hormoon progesteron kan ook
suikerziekte veroorzaken. Dit hormoon wordt geproduceerd door de eierstokken
tijdens en na de loopsheid, maar ook tijdens drachtigheid. Progesteronachtige
stoffen worden ook gebruikt in de prikpil, om loopsheid te voorkomen.
Gesteriliseerde teefjes hebben dus minder kans op suikerziekte.
Overgewicht zorgt er ook voor dat lichaamscellen minder
gevoelig worden voor insuline. De alvleesklier moet dus harder werken en meer
insuline produceren voor hetzelfde effect en kan zo uitgeput raken.
Symptomen
Verschijnselen van suikerziekte zijn onder meer: meer
drinken, meer plassen, toegenomen eetlust en vermageren. In een later stadium
wordt de hond slomer en zwakker, en treedt vertroebeling van de lenzen op (staar of cataract) waardoor de hond slecht gaat zien en blind kan worden.
Diagnose
De diagnose diabetes mellitus wordt gesteld door middel van
bloedonderzoek.
Behandeling
De behandeling van suikerziekte bestaat uit het tweemaal
daags toedienen van insuline injecties door de eigenaar. Dit moet op
regelmatige tijdstippen gebeuren, en hierbij hoort ook een regelmatig eet- en
bewegingspatroon. Honden met overgewicht moeten daarnaast afvallen, en niet
gesteriliseerde teefjes moeten alsnog worden gesteriliseerd. Speciale voeding
met minder suikers en meer vezels kan de therapie ondersteunen. Insulinetherapie vergt veel inzet van de eigenaar, en
regelmatige bloedsuikercontroles. Een goed ingestelde hond heeft prima vooruitzichten en kan
ondanks de suikerziekte toch oud worden.
Hypoglycemie
Hypoglycemie oftwel een te lage suikerspiegel, treedt op als
er teveel insuline is gespoten, wanneer de hond niet of slecht eet na normale
insulinegift, braakt of zich overmatig inspant. De hond wordt rillerig,
onrustig of juist heel sloom, en kan zelfs in een coma raken. Bij verdenking van een hypo moet onmiddellijk (druiven)suiker
worden toegediend.Bij een dier dat niet
meer slikt kan eventueel een suikeroplossing in de wang worden gespoten die via
het slijmvlies wordt opgenomen in het bloed.
Ketoacidose
Een niet behandelde hond met suikerziekte kan door energietekort
in een ketoacidose geraken. Omdat er een ernstig suikertekort is in de cellen gaat het
lichaam vetten afbreken om aan energie te komen. Door deze afwijkende
stofwisseling wordt de hond sloom, gaat braken, raakt uitgedroogd en kan een
vreemde ademhalingsgeur krijgen (aceton geur).Dit is een ernstige complicatie van diabetes mellitus.
|